ProMemorie

Een lange strijd

We gaan terug naar het jaar 1975. Het jaar waarin de langdurige burgeroorlog in Libanon begon, het dragen van de autogordel in Nederland verplicht werd en de Belgische wielrenner Eddie Merckx wederom een topjaar beleefde maar nipt zijn zesde Tour-overwinning aan zich voorbij zag gaan. 1975 is tevens het geboortejaar van de Lotus Esprit.

De Lotus Esprit is een sportwagen naar het oorspronkelijke idee van Giorgetto Giugiaro, de befaamde Italiaanse ontwerper die nog altijd de scepter zwaait bij het door hemzelf opgerichte designhuis ItalDesign. Giugiaro begon in 1972 met het schetsen van een hoekige auto – later een ontwerpstijl kenmerkend voor de jaren ’70 – in opdracht van Colin Chapman. Chapman was de grondlegger en het toenmalige hoofd van Lotus Cars en bovendien begiftigd met diepgaande technische kennis. Als visionair en uitvinder was de Brit tijdens zijn korte leven – hij stierf in 1982 op 54 jarige leeftijd – van grote betekenis voor de auto-industrie. Mede dankzij de vindingrijke knowhow van Chapman waren de jaren zestig en zeventig de meest mooie bladzijden uit de geschiedenis van Lotus. De racerij was Chapman’s geesteskindje. Hij boekte er het ene succes na het andere, maar met de straatauto’s wilde het niet echt vlotten; ze brachten te weinig geld in het laatje waardoor Lotus keer op keer op haar tellen moest passen. Het moest anders.

Van concept naar de eerste meters
Volgens de in 1970 aangestelde technisch directeur van Lotus, Tony Rudd, zouden twee nieuwe modellen Lotus uit de brand kunnen helpen. De ene een compacte sportcoupé met voorin geplaatste motor en de andere een groter model met middenmotor ter vervanging van de toenmalige Europa. Voor die laatste klopte Chapman dus aan bij Giugiaro die kort daarvoor furore had gemaakt met de hoekige conceptcar van Maserati: de Boomerang. Dat Giugiaro duidelijk had voortgeborduurd op de lijnen van de Maserati bleek wel toen beide studies naast elkaar schitterden op de Autosalon van Turijn in 1972. Toen al liep de tekenaar rond met de naam “Esprit”, maar voorlopig zou de kersverse concept gebukt gaan onder de codenaam M70. Later zou deze bekend komen te staan als ‘zilveren auto’, simpelweg omdat de concept gehuld was in een zilveren kleurstelling. Een jaar later was het definitieve ontwerp van de M70 klaar en in januari 1975 maakte een prototype zijn eerste meters tijdens het oppikken van Chapman van luchthaven Heathrow na zijn terugkomst van de F1 Grand Prix van Argentinië.

Roger Moore redt Esprit
Na diverse vertragingen stond de Lotus Esprit negen maanden later dan eindelijk op de Autosalon van Parijs met vlak achter de stoelen een door Lotus zelf ontwikkelde 2.0 liter viercilinder motor. De carrossie was opgetrokken uit glasvezel en gemonteerd op een verlengd stalen chassis van de Europa. De benzinemotor leverde 142 pk of 162 pk (volgens respectievelijk Europese en Amerikaanse specificaties) en was gekoppeld aan een handgeschakelde 5-bak. Productieklaar was het showmodel echter nog niet en Lotus moest wegens ‘in- en externe problemen’ de geïnteresseerden opnieuw teleurstellen met het uitstellen van de lancering. Als de Esprit (S1) in 1976 dan toch op de markt wordt gebracht bleek de aanvankelijk genoemde vraagprijs van 5.845 pond ook nog eens flink gestegen te zijn naar 7.885 Engelse ponden vanwege de oliecrisis en de tumult binnen Lotus Cars. Dit, samen met de eerdere onzekerheid, schoot de pers, dat toch al haar twijfels had over de Esprit, in het verkeerde keelgat. De eerste recensies waren dan ook niet bijster lovend: de Esprit was nauwelijks ruimer en praktischer – bagageruimte was er eigenlijk niet – en instappen was lastiger dan in de Europa. Ook de prestaties vielen volgens critici tegen. Lotus beloofde een acceleratie van 0-100 km/h in 6,8 seconden en een top van 222 km/h, maar in de praktijk was de Esprit trager. De rij-eigenschappen en wegligging van de slechts 1.000 kilogram wegende sportwagen kwamen als enige goed uit de bus, maar daarmee alleen redt je het niet mee. Een gouden idee was het promoten van de Esprit in de blockbuster ‘The Spy Who Loved Me’. Het optreden van Roger Moore als 007, James Bond, in een Esprit annex amfibievoertuig deed de negativiteit (even) vergeten. De Lotus Esprit beleefde nadien een droomstart in Amerika. In 1977 verkocht Lotus in de V.S een kleine zeshonderd Esprit’s, een record dat in 28 jaar Esprit nooit meer werd geëvenaard.

Esprit S2
Helaas voor Lotus viel het publiek al gauw terug op de oorspronkelijke kritieken. Maar Chapman wist keer op keer de doelgroep aan het lijntje te houden. Met de licht gemoderniseerde Esprit S2 bood Lotus een verbeterde Esprit aan. Deze werd geïntroduceerd in 1978, slechts twee jaar na het origineel. De wijzigingen waren overigens met name optisch zoals bijvoorbeeld een hertekende motorkap, een iets andere neus en achterzijde, mooiere 14 inch Speedline-wielen en een subtiele opwaardering van het interieur. Op een modernere nokkenas veranderde er technisch nauwelijks iets.
Opnieuw twee jaar later volgde de Esprit S2.2 en als tussendoortje de Esprit “John Player Special”, een gelimiteerde editie ter ere van Mario Andretti’s behaalde wereldkampioenschap Formule 1. Kort na de special edition verscheen de S2.2 “Essex Turbo Esprit”. Deze wist met z’n 210 pk sterke turbomotor een 0-100 km/h-sprinttijd van zes seconden en een top van 240 km/h wel de oorspronkelijk beloofde prestaties te realiseren; het was de Esprit zoals het origineel al had moeten zijn. Helaas werden er slechts enkele tientallen Essex Esprit’s gebouwd. De massa moest het doen met de turboloze S2.2.

Stoppen op het hoogtepunt
Lang hoefden teleurgestelde Turbo-enthousiastelingen overigens niet te wachten. In 1981 werd de Lotus Turbo Esprit gepresenteerd met dito prestaties als de Essex-variant. In datzelfde jaar lanceerde Lotus tevens de derde generatie, de S3. Met wederom diverse modificaties kwam Lotus steeds dichterbij de perfecte Esprit. Eind jaren ’80 kwam daarin flink schot in de zaak met de Esprit E en SE-modellen. Dit waren beknepen versies van de Turbo met een vermogen richting de 300 pk. Binnen vijf seconden was de spurt naar honderd voltooid en de topsnelheid reikte ver over de 250 km/h. Serieuze prestaties dus, maar Lotus had hiervoor wel een kleine vijftien jaar nodig gehad. Toch bleef de Esprit op één of andere manier geliefd bij vriend en vijand; door al zolang in productie te zijn was de gedachte van het ontbreken van een Esprit in het Lotus-gamma ondenkbaar geworden. Hoe een moeilijke auto de Esprit eigenlijk ook was (geweest), hij had een eeuwig plekje in de lijst van legendarische sportwagens verworven. Desalniettemin was het einde van de Esprit  in zicht. Met het neerzetten van de S4 in 1993 werd de laatste fase ingeluid. Het monteren van een door Lotus zelf ontwikkelde V8 in 1996 zette Lotus de puntjes op de i. De Esprit had er lang over gedaan, was langzaam geëvolueerd en werd dan eindelijk door de massa en de pers tot volbloed sportwagen bevonden. Moe gestreden, maar voldaan trok Lotus na bijna drie decennia de stekker uit de Esprit. Het hart van de Esprit klopt echter nog altijd, want onlangs kwam Lotus met dit nieuws.

Gerelateerde artikelen

Lotus 3-Eleven: radicale tweezitter

Autonieuws
Lotus 3-Eleven: radicale tweezitter
> Artikel lezen

Nieuwe Lotus 3-Eleven op transport naar Goodwood

Autonieuws
Nieuwe Lotus 3-Eleven op transport naar Goodwood
> Artikel lezen

Lotus Omega: snelste sedan ter wereld

ProMemorie
Lotus Omega
> Artikel lezen

Rijd deze zomer nog op deze uitzinnige Lotus C-01

Autonieuws
> Artikel lezen

Dikke Porsches pesten met Lotus Exige 350 SE

Autonieuws
Dikke Porsches pesten met Lotus Exige 350 SE
> Artikel lezen

Lotus Exige 380 is de allersnelste ooit

Autonieuws
> Artikel lezen

Meer Autowereld.com

Merk / model dossiers

Sluiten
Wij maken gebruik van cookies: lees hier hoe en wat.